avec-papiers.be Rotating Header Image

Roofbouw en liberalisering

riziculteursOnlangs hoorde ik hoe een struise geëmigreerde Haïtiaan voor het eerst sinds jaren weer terugkeerde naar zijn geboorteland. Hij zou de hele rit door Port-au-Prince aan het huilen zijn geweest als een klein kind door wat hij zag door het autoraam. De hoofdstad van Haïti is een stad die op enkele decennia een enorme metamorfose moet hebben ondergaan.

Haïti was ooit “place to be” voor talrijke Amerikanen die hier hun vakanties kwamen doorbrengen in luxueuze vijfsterrenhotels. De toeristische sector was hier zo bloeiend dat ondernemers het initiatief namen om een paar mensen aan te werven die een stel kleine eilandjes op enkele kilometers van de kust onderhielden. Zo konden de gasten van het vijfsterrenhotel die zin hadden in een beetje avontuur gaan overnachten op een “onbevlekt en onbewoond eiland” in de Caraïben, kreeft eten en cocktails drinken vanuit hun hangmat tussen de palmbomen en wat gaan diepzeeduiken als ze daar zin in kregen. Op de pleinen in Port-au-Prince en vooral in het hogerop gelegen Pétionville flaneerden chique dames met witte handschoenen onder een parasol op de paadjes tussen de fonteinen. In de hoofdstad moeten langst de kustlijn prachtige boulevards gelopen hebben die uitzicht gaven op aantrekkelijke stranden. Het zou in dit land zijn geweest dat ooit de eerste trambaan van de Caraïben lag. Het eerste land in dezelfde regio waar een autosnelweg met twee keer twee rijstroken werd in gebruik genomen. Zo konden de welgestelden zich snel naar het chiquere Pétionville begeven, toen nog een aparte stad. Tussen Port-au-Prince, Delmas, Pétionville en Carrefour waren weilanden waar vee op graasde, bossen waarin een sanatorium voor tbc patiënten stond. Hoe zakt een land dat enkele decennia geleden nog zo hoog aangeschreven stond zo diep weg in de modder ? Ik probeer het me, samen met u, voor te stellen.

Port-au-Prince, Delmas, Pétionville, Carrefour zijn intussen versmolten tot één grote geürbaniseerde zone waar zonder enige vorm van stadsplanning huizen zijn neergezet. Aanvankelijk gebouwd voor ongeveer 300.000 mensen weet niemand hoeveel mensen er vandaag in de hoofdstad wonen. Men schat zo’n drie miljoen. Het is moeilijk je voor te stellen dat de heuvels waar ik vanuit mijn appartement op uitkijk minder dan dertig jaar geleden vol met bomen moeten hebben gestaan en dat er koeien gegraasd hebben op weilanden. Al wat ik nu zie zijn huizen, het één al wat groter dan het andere, en hier en daar een smalle straat. Alles in het wild neergezet op de heuvels, langs de valleien en ravijnen, op de steile hellingen, in de dalen, vaak zelfs bovenop de beken en riviertjes die dienst doen als open riool en stort tegelijkertijd. De grote boulevards in de benedenstad die ooit dat indrukwekkende uitzicht moeten gegeven hebben op de baai van Port-au-Prince zijn inmiddels langst beide zijden volgebouwd. Je ziet de kust niet meer. De krottenwijken staan tot aan de kustlijn. De beken en riviertjes vormen zich bij stortbuien om tot een kolkende massa water waarin alle afval wordt meegevoerd door de benedenstad. De kokers onder de bruggen zitten er dusdanig vol mee dat het water en de rotzooi die erin ligt een weg zoekt over de baan. Langs één van de uitvalswegen van de stad, een baan die vroeger vermoedelijk een van die chique boulevards moet geweest zijn, zitten marktkramers op de grond, tussen, boven of gewoon in het water. De auto’s rijden op nauwelijks enkele meters door de bovengrondse beken en spetten het smerige water over de koopwaar. Langs de andere kant van de baan zie je vuile varkens en straathonden zich tegoed doen aan de bergen rottend afval. Het Haïti waar velen me met weemoed over vertellen, de parel van de Caraïben, bestaat niet meer.

Het romantische beeld waar nostalgici mee komen aandraven moet natuurlijk voor een groot stuk genuanceerd worden. Een feit blijft dat het regime van vader François en zoon Jean-Claude Duvalier hier de plak zwaaide van 1956 tot 1986. Beiden zijn beter bekend als respectievelijk Papa Doc en Baby Doc die met hun militie, de Tonton Macoutes, het land in een ijzeren greep hielden gedurende drie decennia. Als notoir anticommunist kreeg Papa Doc een geprivilegieerde rol toebedeeld van Uncle Sam in de strijd tegen het revolutionaire Cuba. Haïti werd zo een land waar de VSA goedkope arbeidskrachten vonden die onder andere gedurende lange tijd de baseball-clubs in de VSA van (goedkope) ballen voorzagen. Maar het ging uiteraard veel verder dan enkel baseball. De investeringen uit de VSA zorgden voor het oprichten van diverse industrieën die mensen uit het sedert jaren op zichzelf aangewezen platte land naar de stad trok. Het economisch alternatief voor de achtergestelde boeren was een plattelandsvlucht richting hoofdstad. De “bidonvillisation” was begonnen.

Sinds de onafhankelijkheid van Haïti in 1804 na de eerste en enige geslaagde slavenopstand uit de geschiedenis, zijn Haïtiaanse machthebbers erin geslaagd de contrasten tussen stad en platteland te benadrukken en de kloof tussen arm en rijk enkel maar te verbreden. De plantages van de verjaagde Fransen werden aanvankelijk gewoon overgenomen. Van een afschaffing van slavernij was er de facto dan ook geen sprake. De meesters waren van huidskleur verwisseld, dat was zowat alles. Ze waren nu voornamelijk mulat, maar niet zelden ook zwart. Het platte land was goed voor de productie van exportproducten, maar investeringen kwamen daar zelden bij kijken. Het Haïti van vandaag, dat nauwelijks nog voor 3% bebost is, heeft jarenlang hout gekapt en roofbouw gepleegd op haar grondgebied. Kale bergen zie je waarvan soms alle aarde is weggespoeld, hellingen ontdaan van al wat boven 2 meter groeit. Koffie, ooit een van de belangrijkste exportproducten van dit land, kan nauwelijks nog verbouwd worden. De plant heeft schaduw nodig en die is er amper nog. Een boom kappen is vandaag voor velen het enige middel dat ze hebben om aan geld te geraken waarmee ze hun kinderen naar school kunnen sturen. Of waarmee ze hun eten kunnen bereiden op de houtskool waarvan meer dan 70% van de Haïtianen zouden afhangen. Zelfs mangobomen moeten er vaak aan geloven. Ontdaan van diepe wortels, ontdaan van bomen en planten die het water opnemen glijdt de kale aarde bij stortbuien langzaam maar zeker naar beneden. Het land zakt letterlijk de dieperik in. Gonaïves, de stad die in september 2008 het wereldnieuws haalde toen ze werd overspoeld door water en modder, staat tot op de dag van vandaag nog steeds gedeeltelijk onder water.

Roofbouw, dat is wellicht het woord dat het beste de geschiedenis van dit land samenvat sinds de blanke man voet aan wal zette op Hispaniola. Vandaag is het Haïtiaanse gedeelte daarvan op wat peulschillen na leeggeroofd. Het ontbreken van investeringen in de landbouw gedurende de laatste decennia heeft het land enkel maar verder doen wegglijden. Heeft enkel maar meer mensen het platteland doen verlaten voor de hoofdstad waar krottenwijken de bossen, parken en weilanden verdreven. Krottenwijken zonder perspectief, aan de rand van de zee of op een steile helling. Sommige Haïtianen zetten ineens een stap verder en wagen het de grens over te geraken naar de Dominicaanse Republiek waar ze op plantages of in de toeristische sector kunnen werken. In omstandigheden die vaak het woord slavernij oproepen. Of ze wagen de oversteek naar de Verenigde Staten van Amerika. Vele honderden verdrinken. Niemand weet hoeveel. Dit land wordt uitgemergeld. Door een gebrek aan interesse en investeringen voor het platteland van lokale politici en gecentraliseerde of gedecentraliseerde zakkenvullers. Door buitenlandse donoren die van het land hun speeltuin maken van wat zonder schaamte “development” of “partnerschap” wordt genoemd. Maar welke ontwikkeling ? En welk partnerschap ?

Beth Cysper, adjunct directrice van het United States Agency for International Development (USAID) in het land, vertelde enkele maanden geleden nog doodleuk dat “Food self-sufficiency is not necessarily the goal (…) Right now there is food in Haiti. It’s just the price is out of reach. If it makes sense economically for them to sell mangoes and import rice, then that’s what they should do.(1)” USAID, dat door velen beschouwd wordt als een verlengstuk van de Amerikaanse overheid, zou het natuurlijk bijzonder interessant vinden om hun afzetmarkt te vergroten voor hun gesubsidieerde en overproducerende rijstboeren. Als Haïti nu eens wat minder rijst zou produceren bijvoorbeeld ? Je moet maar durven.

Development, inderdaad, maar dewelke ? In de jaren ’80 produceerde het land nog voor quasi 90% van lokaal geconsumeerde producten, vandaag is dat geen 45% meer. Wat wil je ook als de geïmporteerde rijst goedkoper is dan de lokaal geproduceerde ? Als er geen enkele bescherming meer bestaat van lokale productie ? Als boeren geen enkele financiële ondersteuning krijgen voor de aankoop van meststoffen ? De daling van de invoertaks op rijst van 50% naar 3% heeft de Amerikaanse rijstproducenten en hun overheid de laatste decennia zeker geen windeieren gelegd. Tussen 1985 en 1990 importeerde Haïti 198.000 ton rijst, in de periode tussen 1991 en 1996 was dat 925.000 ton. Het zal geen verbazing wekken dat de lokale rijstproductie in diezelfde periode afnam. Vandaag komt 75% van de lokaal geconsumeerde rijst uit het buitenland (2). Haïti is vandaag het armste land van het Westelijk halfrond en volgens de WTO een van de meest open economieën ter wereld.

Om maar te zeggen dat de nostalgie naar vroegere tijden dan bij momenten misplaatst kan lijken, maar anderzijds toch enige grond onder de voeten heeft. Al werd het land dan met ijzeren hand geregeerd, op z’n minst was de uitverkoop niet totaal. Nu ligt zowat alles te grabbel en de laatsten die daar beter van worden zijn de massa straatarme Haïtianen. Buitenlandse broodheren profiteerden van de politieke instabiliteit. In het vacuüm na de vlucht van Baby Doc in 1986 kende het land een opeenvolging van tijdelijke regeringen, militaire coups en verkiezingen. Om er even snel doorheen te waaien, alvast enkele grote lijnen. In 1990 werd Aristide tot president verkozen die het jaar daarop al naar de VSA vluchtte na een militaire coup van generaal Cédras. Tijdens het regime van Cédras had Rice Cooperation of Haiti, een belangrijke Amerikaanse importeur van rijst uit de VSA een zetel bemachtigd in Haïti. Uiteindelijk mag Aristide in 1994 terugkeren na druk van de Vereniging van Amerikaanse Staten (VAS) en ook de VN. De VSA hadden het aanvankelijk heimelijk door hen ondersteunde regime van Cédras intussen de rug gekeerd en en passant troepen geïnstalleerd. Vanaf 1995 werden die vervangen door VN-troepen. De Aristide die in 1994 uit ballingschap terugkeerde uit de VSA was echter niet meer de redder die hij voor vele Haïtianen was geweest in 1990. Hij had zichzelf wellicht verkocht om weer aan de macht te komen. Het jaar dat hij triomfantelijk terugkeerde schafte hij de staatssubsidie op meststoffen af en in 1995 kwam het invoertarief voor rijst op 3% te liggen. In 1996 werd hij na verkiezingen opgevolgd door Préval die in 2000 in een omstreden stembusgang weer door Aristide aan de kant geschoven werd. De tumultueuze tweede ambtstermijn van Aristide werd gekenmerkt door een machtsspel tussen ex-officieren van het intussen ontbonden leger en de verkozen president. Nadat opstandelingen verschillende steden onder controle kregen en de bevolking de straat optrok tegen de president werd Aristide begin 2004 gedwongen het land te verlaten. Huidig president Préval werd in 2006 verkozen. Voedselrellen in april 2008 kostten aan verschillende mensen het leven. De toenmalig eerste minister werd aan de kant geschoven en na maanden discussies eind augustus uiteindelijk vervangen door Michèle Pierre-Louis.

Dat deze laatste in één van haar eerste toespraken verklaarde dat ze van landbouw dé prioriteit van haar beleid zou maken kan een stap in de goede richting zijn. Maar er is altijd zeggen en doen. Bovendien kreeg de nieuwe regering als welkomstgeschenk vier orkanen te verwerken. Honderden doden en enorme materiële schade die de opdracht en de ambities van de nieuwe ploeg er niet gemakkelijker op maken. Er zijn enorme investeringen nodig om het wegglijdende land weer te stabiliseren. Letterlijk en figuurlijk. Wat landbouw betreft gaat het over herbebossing die de erosie moet tegengaan, landhervormingen die braakliggend land van grootgrondbezitters (die inmiddels rijst importeren uit de VSA) ter beschikking moet stellen van kleine boeren, maar ook het verstrekken van kredieten voor die boeren, het aanleggen van irrigatiekanalen, van deftige wegen zodat de vruchten niet beschadigd zijn vooraleer ze in de hoofdstad aankomen. En natuurlijk de eigen markt met taksen beschermen tegen de huidige dumping voornamelijk uit de VSA, maar ook uit de EU. Wat politieke stabiliteit betreft gaat het onder meer over een grote kuis om de corruptie aan te pakken en het in gang trekken van een nauwelijks functionerend rechtssysteem. Vandaag staan zware criminelen na enkele uren of dagen vaak weer op straat terwijl mensen die ervan verdacht worden een kip te stelen zes maanden of langer vast zitten zonder enige vorm van proces.

Begin er maar aan natuurlijk. Groot geld verdwijnt hier gemakkelijk in tal van broekzakken zodat een project als het bouwen van een weg vaak zonder geld zit voor de weg is afgewerkt. Het kwam me bekend voor te horen dat er wel van een decentralisatie op papier sprake was, maar dat die de facto neerkomt op het doorschuiven van verantwoordelijken en niet van budgetten. Het staatsbudget wordt overigens voor meer dan de helft door buitenlandse donoren gefinancierd. Dat die invloed hebben op het beleid is evident. Al kan er worden tegengestribbeld, de druk uit het buitenland is groot. Maar… niet altijd even succesvol. De Europese Unie wil zo met alle zogenaamde ACP landen (“Minst ontwikkelde landen” uit Afrika, de Caraïben en de Pacifische Oceaan) akkoorden afsluiten, de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA), over een hervorming van de huidige handelsverdragen en de daaraan gekoppelde ontwikkelingshulp. In concreto komt het er ongeveer op neer dat deze landen hun markt voor een groot stuk moeten opengooien voor import uit de EU in ruil voor het behoud van hun goedkope invoerrechten naar de EU. In Haïti is dat door georganiseerd protest voorlopig nog niet gelukt. Power to the people !

P.S. Wie meer wil weten over de landbouwproblematiek in dit land kan ook de paper “Modder in de mond” lezen die begin september werd afgewerkt.

3 Comments on “Roofbouw en liberalisering”

  1. #1 Kaat
    on Jan 7th, 2009 at 8:38 pm

    Hey Joris, dat was niet bepaald een nieuwjaarsbrief met goede wensen aan Uncle Sam hé… Maar ‘t is een bekend scenario in die regio, al komt dat voor Haïti niet zo vaak op die manier naar buiten in de media.
    En die nostalgie, ach ja, die verzacht van tijd al eens de pijn over wat niet meer is en helpt relativeren bij het verwerken van hoe het nu wel is. Geef dat georganiseerd protest daar maar een duwtje in de rug! Power to the people!
    O ja de link naar je paper werkt niet!
    Kus,
    Kaat

  2. #2 mam'
    on Jan 8th, 2009 at 5:34 pm

    Dag Joris,

    Even praktisch : van hieruit geen probleem om ‘modder in de mond’ te open …

    Knuffel,

    mam’

  3. #3 International Crisis Group: “Stability at Risk” – avec-papiers.be
    on Mar 31st, 2009 at 8:30 pm

    […] in het platte land hebben de nationale voedselproductie ernstige klappen toegediend (zie “roofbouw en liberalisering“). Het staatsbudget dat eind 2008 werd voorgesteld bedroeg 256,4 miljoen dollar, 60% daarvan […]

Leave a Comment