
Het is meer dan zes maanden geleden dat die aardbeving voor m’n ogen Port-au-Prince trof. Nog steeds tussen het puin laverend werp ik de laatste weken regelmatig ook een blik op het weerbericht. Het is tenslotte orkaanseizoen. En hop ! Nog maar eens een tropische golf die over het land trekt de komende dagen. Veel aangekondigde regen in een land met zo’n anderhalfmiljoen daklozen die nog steeds op zichzelf zijn aangewezen. Die tenten, zeilen en stinkende toiletten zijn al lang niet meer zo aantrekkelijk als ze zes maanden geleden waren. Een recent artikel op Alterpresse heeft het niet zonder ironie over “abris dérisoires” (bespottelijk onderkomen) in plaats van “abris provisoires” (tijdelijk onderkomen). De levensomstandigheden zijn voor velen de laatste zes maanden eerder verslechterd dan verbeterd. Ondanks de internationale commissies, de haïtiaanse regering en internationale NGO’s. Die lopen veelal wat nog rechtstaat en opnieuw uit de bodem begint te groeien plat met een leger aan hulpverleners en aldus verkleedde individuen en organisaties. Moeilijk te geloven. Maar dat is wat er gebeurt. Al maanden aan een stuk.
NGO’s
Stel je hetvolgende even voor. Een vreemde – al dan niet aan een organisatie verbonden – komt een kamp binnen. Kijkt wat rond. Ziet hoe er met zeilen en tenten op een stukje grond een nieuwe nederzetting is ontstaan. Allerlei soorten handeltjes zijn als paddestoelen uit de grond geschoten. Het leven lijkt er best wel wat georganiseerd al ontbreekt het aan waterdichtte tentzeilen, afwatering, toiletten, scholen, gezondheidscentra,… Dan denkt die vreemde : maar hier kan ik wel “iets” doen ! Op “één of andere” manier proberen te helpen. Organisaties hebben meestal nog hun specialiteiten, werken bijvoorbeeld rond gezondheid en hygiëne. Bij individuen – vaak maar niet altijd mensen uit Noord-Amerikaanse kerkgemeenschappen – is het veelal het medelijden dat hen leidt. Dus vraagt die vreemde: is er in dit kamp zoiets als een comité in deze nederzetting waarmee ik “iets zou kunnen regelen” ? Zeg nu zelf: als je in zo’n kamp zou leven – of er nog maar kennissen hebt wonen – zeg je dan “nee” ? Als er geen comité is, dan is hebben we dat toch op één, twee, drie geregeld, niet ? In plaats van eerst te analyseren naar wat er leeft en groeit in het kamp – en dat is zeker niet in elk kamp hetzelfde – vraagt men mensen zo ongeveer letterlijk waar ze hun geld kunnen uitgeven.
Klinkt nogal karikaturaal, maar geloof me, ik hoor meer en meer van dergelijke getuigenissen. Die vreemde begrijpt meestal weinig of niets van dit land en weet in het beste geval dat het al 200 jaar onafhankelijk is en dat de internationale gemeenschap “haar best” doet om er een “democratie” van “te maken”. Sommigen van die vreemden vertellen ondertussen met veel poeha over hun avonturen in Aceh, Sri Lanka en Bam. Daarmee wil ik niet de goede intenties van (sommigen van) deze mensen van tafel vegen, maar ik heb zo stilaan wel genoeg van die verhalen. Wat een arrogantie ! Dit is Haïti, niet Indonesië, niet Sri Lanka, niet Thailand, niet Iran. De dingen groeien logischerwijs van onderuit. En om te zien wat er groeit en hoe er georganiseerd wordt is een kort bezoekje aan een kamp gewoon niet genoeg. Maar internationale NGO’s en organisaties verkiezen hun eigen projecten te realiseren en daarenboven nog naast mekaar te werken in plaats van met elkaar. Ze hadden godverdomme tien keer meer kunnen betekenen als ze samenwerkten. Maar nee: foto’s naar huis sturen van “wat we met het geld gedaan hebben” om zo nieuwe “klanten” te werven voor de volgende ramp ?!!! Disaster-business… Soms heb ik stellig de indruk dat die Haïtianen maar een bijzaak zijn voor die organisaties. Ze vergeten of negeren dat een land opgebouwd wordt door haar bevolking en dat Haïtianen intussen zelf ook al aan een stuk van de weg gebouwd hebben.
CIRH
Terwijl die internationale NGO’s geheel naast mekaar over de koppen van de mensen werken, is er een commissie samengesteld die buiten het Haïtiaanse parlement en senaat om met de regering samenwerkt om de hulpgelden te kanaliseren naar het Plan d’Action pour le Relèvement et le Développement National, zeg maar het reconstructieplan. Dat plan wordt zwaar bekritiseerd omwille van haar incoherentie en het gebrek aan participatie van de betrokken sectoren, maar laat ons er hier even voor de gemakkelijkheid nog even vanuit gaan dat het een goed plan was. De Commission Interimaire de Reconstruction d’Haïti (CIRH) is voor de helft samengesteld uit Haïtianen, voor de andere helft uit “internationalen”. Dat wil vooral zeggen grote donoren. Een stemrecht in deze commissie is een privilege voor de donoren die 100 miljoen dollar hebben gegeven of schuld hebben kwijtgescholden. De CIRH wordt voorgezeten door huidig eerste minister Jean-Max Bellerive en Bill Clinton, sinds de zomer van 2009 Speciaal-Gezant van de Verenigde Naties voor Haïti.
De tweede vergadering voor deze CIRH was aangekondigd voor 22 juli. Meer dan zes maanden na de aardbeving lijkt ‘n tweede vergadering van zo’n commissie niet echt te vroeg te komen. Maar dan kwam er vandaag plots het bericht van de woordvoerder van de CIRH dat de vergadering “om diverse redenen” was uitgesteld tot 17 augustus. Toen ik dit nieuws hoorde moest ik spontaan denken aan een bericht op de radio een paar dagen geleden. Clinton zei daarin dat hij er “na de trouw van [z]ijn dochter weer helemaal zou staan voor Haïti”. En het is tenslotte toch ook vakantieperiode, niet ? Het is moeilijk niet cynisch te worden over wat er zich hier afspeelt, maar dàt is dus die internationale commissie die ervoor moet zorgen dat het geld bij het reconstructieplan geraakt ? Het enige plan dat er ligt ? Een commissie die slaagt er nog niet in slaagt om zeven maanden na de aardbeving een 2e vergadering te organiseren ? Wat een contrast met de urgentie en de miserie.
De nationale overheid
Als democraat zou je nog kunnen opwerpen dat het uiteindelijk aan de Haïtianen zelf is om hun land terug op te bouwen. Klopt natuurlijk. Maar men kan wel een schoon discours afsteken en mooie woorden gebruiken, uiteindelijk gaat het om wat men doet. Een hoge muts hebben de Haïtianen niet echt op over die internationale gemeenschap en de VN-missie (MINUSTAH). Laat ons even naar de Senaatsverkiezingen van vorig jaar kijken. In de eerste ronde kwam volgens officiële cijfers 11,8% van de stemgerechtigden opdagen. Nationale en internationale observatoren zijn het er roerend over eens dat het werkelijke cijfer lager lag. Bovendien was één van de belangrijkste oppositiepartijen – Fanmi Lavallas – uitgesloten van het verkiezingsproces. Waarom is de VN dan tevreden over die verkiezingen ? Als dat de democratie is waar de VN voor staat dan bedank ik daar voor. De Haïtianen hebben al lang hun geloof in dergelijke maskerades verloren.
De voorbereiding van de parlementsverkiezingen die gepland waren voor februari en maart dit jaar – en die om evidente redenen zijn uitgesteld – waren ook op z’n zachtst gezegd controversiëel. Onlangs had ik de kans enkele mensen van de “internationale gemeenschap” aan de tand te voelen over hoe zij dan wel niet dachten over de Conseil Électorale Provisoire (de tijdelijke verkiezingscommissie) – waarom het eigenlijk allemaal te doen is. Ze vertelden me toen dat de verkiezingen met deze commissie niet zouden kunnen plaatsvinden. Het is inmiddels meer dan drie weken geleden dat president Préval – midden in de populaire wereldbeker – aankondigde de parlementsverkiezingen te laten doorgaan met de huidige verkiezingscommissie op 28 november, gekoppeld aan de eveneens voor 2010 geplande presidentsverkiezingen. Het proces voor de parlementsverkiezingen dat op z’n zachts gezegd zorgwekkend te noemen was, wordt gewoon verdergezet. Dat wil zeggen: andermaal geen Fanmi Lavallas, één van de belangrijkste oppositiepartijen. Sinds op 19 juli werd aangekondigd dat de procedure voor kandidaatstelling van partijen voor de presidentsverkiezingen loopt tot 27 juli hebben ze – theoretisch – nog een kans.
Veel in Haïti heeft te maken met pro- of anti-Aristide (de in 2004 verjaagde president die inmiddels in ballingschap in Zuid-Afrika verblijft) en z’n intussen verdeelde partij: Fanmi Lavallas. Maar als dit echt om democratie zou gaan, dan zou toch duidelijk moeten zijn dat de uitsluiting van een partij – afgezien van sympathieën of antipathieën – niet de oplossing is. Het is nog af te wachten hoe het met de presidentsverkiezingen zit, maar in alle geval heeft de internationale gemeenschap in het verleden niet uitgeblonken in het doordrukken van inclusieve maatregelen, ondanks haar discours. Alsof het er allemaal maar democratisch moet uitzien, maar dat in praktijk niet moet zijn.
Leer er gewoon mee leven
Ik herinner me levendig het commentaar dat iemand onlangs gaf over Haïti: als zoiets “bij ons” zou gebeuren had de helft zich van kant gemaakt en zat de andere helft wellicht in een psychiatrische instelling. Ik hoorde maar over één enkele zelfmoord. Dat was toen Brazilië werd uitgeschakeld in de wereldbeker. Over psychiatrische hulpverlening hoor ik weinig, ondanks de evidente trauma’s die een gebeurtenis als zo’n desastreuze aardbeving met zich meebrengt. Ook ik heb nog regelmatig flash-backs, méér dan zes maanden na datum. En ik heb nog een dak boven m’n hoofd. Niemand in mijn familie is getroffen door de aardbeving.
Uiteraard zou het helpen moest je merken dat de gebeurtenissen rondom je werkelijk iets verbeterden aan de situatie. Of dat men tenminste een inspanning zou leveren om de situatie te verbeteren. Maar noch de overheid – die met “haar” verkiezing bezig is – noch de internationale gemeenschap – die zichzelf suf masturbeert op haar zogenaamde inspanningen – noch de NGO’s – die quasi geheel naast mekaar werken – hebben oor naar wat er onderin leeft, broeit en groeit. Ze hebben stuk voor stuk hun eigen ideeën en agenda’s. Stuk voor stuk boven de hoofden van de massa Haïtianen. Alsof ze gewoon niet bestonden. De historische kans om de maatschappelijke ongelijkheden te keren door een nationale dialoog op te starten wordt verkeken. Onder het “wakend oog” van de internationale instellingen en organisaties lijken de ongelijkheden die er waren enkel versterkt te worden terwijl het geknoei ter voorbereiding van de verkiezingen voortduurt.
Een mens zoekt naar lichtpunten in donkere dagen. Met de tropische golf die inmiddels boven m’n hoofd hangt doe ik niet anders. Er zijn wel degelijk lichtpunten. Het gaat erom waar je zoekt. Helemaal onderin zijn er mensen die zichzelf organiseren. Van onderuit, zonder CIRH, NGO of regering. Mijn eigen buren bijvoorbeeld. Nadat ze wekenlang hebben aangedrongen bij de electriciteitsmaatschappij de straat weer op het net aan te sluiten hebben ze zelf geld samengelegd om een electriciteitsdraad te kopen die ze eigenhandig op de transformator hebben aangesloten. Dat werkt tenminste. Traag en kleinschalig, ja. Maar zo heb je een veelvoud aan kleine initiatieven die het dagdagelijkse leed wat verzachten.
Ondertussen is de CIRH even met vakantie, wordt het controversiële verkiezingsproces zonder enig internationaal verzet voortgezet en blijven de NGO’s mekaar vooral als concurrenten “op het terrein” beschouwen. Dat de heropbouw en de toekomst voor Haïti door Haïtianen moet beslist worden is blijkbaar taboe. Dat er voor 2010/2011 5,5 miljard dollar beloofd is voor dit land is blijkbaar voldoende. Een belofte die nog moet nagekomen worden: nog maar 2% van dit geld zou zijn uitbetaald.



on Jul 27th, 2010 at 1:10 am
Ik las een opinie op al jazeera van ene Yves Engler die eigenlijk nogal overeenkomt met wat jij zegt. Je vindt ze hier: http://english.aljazeera.net/focus/2010/07/201071283334294195.html
Ik vraag me af of er niet meer mensen zijn die deze dingen zo zeggen en of er geen stappen worden ondernomen om met een collectief naar buiten te komen?
on Jul 30th, 2010 at 4:14 am
De ngo’s hebben nog niet veel geleerd van de tsunami… spijtig feit is dat de overheid in Haïti nog zwakker is dan die in sri lanka en indonesië en er meer moeite mee heeft om zich niet te laten overrompelen door de internationale hulpverlening. De situaties die jij hierboven beschrijft, kan ik me helaas goed voorstellen.
Ander probleem is dat de Haïtiaanse overheid te weinig doet om de landproblematiek op te lossen. Zo lang er geen grond is vrijgemaakt waar de mensen die in de tentenkampen zitten kunnen gaan wonen (sommigen woonden voordien bijvoorbeeld op illegale locaties), kan er niet begonnen worden met de bouw van huizen. Zoiets krijg je natuurlijk niet op een-twee-drie geregeld en de schuld geven aan de ngo’s op het vlak van huisvesting vind ik daardoor wel heel gemakkelijk.
Het is in ieder geval zeer interessant om van jou te horen hoe het leven daar is en ik heb veel bewondering voor de mensen die het blijven volhouden. Hoe loopt het trouwens met jouw werk daar?
on Jul 30th, 2010 at 8:53 am
@ bie: Landeigendom is inderdaad erg problematisch en is één van de voornaamste hindernissen voor heropbouw. Zowel op het platte land als in de stad zijn er al lang conflicten rond grond. Zoals je zegt heeft het geen zin de schuld daarvan in de schoenen van de NGO’s te schuiven. Hier is het de overheid en de grootgrondbezitters die de volle verantwoordelijkheid dragen.
Het is in de eerste plaats de overheid die stappen moet ondernemen om stukken overheidsgrond ter beschikking te stellen en tot onteigening moet overgaan van bepaalde privégronden. Men is al jarenlang aan het palaveren over landhervormingen, zonder enig resultaat. De urgentie die er vandaag bestaat verandert jammer genoeg weinig aan de zaak.
Ter illustratie: begin juni kwam de overheid naar buiten met het bericht dat het oude centrum van Port-au-Prince nu publiek goed zou worden. In één adem voegde men daaraan toe dat er wel geen onteigening van privébezit aan gekoppeld was. Hoe moet een mens nu zoiets begrijpen: onteigenen zonder te onteigenen ?
Of nog: boeren in het noorden hebben jarenlang druk moeten uitoefenen op de overheid om hun koeien te mogen laten grazen op braakliggende staatsgronden. Ze hebben uiteindelijk het recht gekregen, na een lange strijd.
Het gaat niet enkel om een zwakke overheid, maar in de eerste plaats over haar manifeste onwil iets te veranderen aan de privileges van haar clienteel. Al te vaak worden staatsgronden verhuurd aan grootgrondbezitters die het op hun beurt weer verder verhuren aan kleine boeren. Als de overheid representatief zou zijn voor de bevolking dan gaf ze dergelijke privileges niet aan grootgrondbezitters, maar stelde ze haar grond ter beschikking van kleine boeren of van gemeenschappen die er een nederzetting op kunnen bouwen. Maar dan vergeten we weer dat Haïti geen democratie is, maar een oligarchie.