avec-papiers.be Rotating Header Image

De terugkeer – dag één

Port-au-Prince – 30 maart 2010  – Toen ik met de auto van de luchthaven de stad inreed werd al snel duidelijk dat één en ander wel degelijk veranderd was sinds ik hier het laatst was. Ik moet toegeven dat ik het ergste had gevreesd: hetzelfde apocalyptische landschap als ik hier had achtergelaten enkele dagen na de aardbeving. Alsof ik toch nog ergens gedacht had dat mensen bij de pakken waren blijven zitten. Dat de boel van kwaad naar erger ging gaan. Het land heeft een kwalijke reputatie. Onterecht. En toch was ik nu onbewust ook zelf gaan denken dat de Haïtanen de kop hadden laten hangen. Dat er met het puin niets zou gebeurd zijn. Dat het er even troosteloos zou bijliggen als die stad die ik midden januari moest verlaten. Nog bloedend van de wonde die de aarde had geslagen.

Hier en daar zijn er volledig geklaarde terreinen. Opvallende lokaties: bijna allemaal onderwijsinstellingen. Voor zover ik weet allemaal van de overheid. Alsof er nu plots tussen al het puin een prioriteit duidelijk wordt. Hier en daar steken er zelfs al betonijzers terug uit de grond. Nieuwe. Tussen vers gebouwde muurtjes. Onderwijs kan kinderen van de straten van de overbevolkte hoofdstad halen waar ze anders – bij gebrek aan perspectieven – al te gemakkelijk in criminele middens verzeild geraken. Dat klinkt logisch, dat heeft weinig of niets met Haïti te maken. Maar als budgetfinanciers draaien internationale of buitenlandse donoren zonder blikken of blozen de kraan dicht als iets hun niet zint. Laat ons hopen dat ze nu akkoord zijn om een prioriteit te maken van de heropening van de scholen.

Tenzij het allemaal maar een schijnbeweging is van de overheid om indruk te maken op de internationale donoren. Want je ziet hier en daar ook levensgevaarlijke situaties. Gevaarlijk overhellende huizen. Sommigen zien eruit alsof ze maar een windstoot nodig hebben om om te vallen. Het zou een kleine moeite zijn die alvast om te duwen zodat ze niemand meer verwonden als ze vroeg of laat tegen de vlakte gaan. Wat er ook van zij, de donoren noemen dit land steeds maar weer een gefaalde staat. Nu lijkt er wel een wil van de overheid om iets aan de situatie te veranderen. Ze laten zien dat ze, als het erop aan komt, in staat zijn iets te doen. Iets wat de internationale gemeenschap ontkent met de stempel “gefaalde staat”. Het is niets te vroeg dat de overheid toont dat ze iets kan. De politieke wil ontbrak vaak. Alsmaar politieke schaakspelen die het land al te vaak verlamden.

Het is duidelijk dat voor de internationale gemeenschap – met in het bijzonder de VSA – “veiligheid” meteen na de aardbeving een topprioritieit was. Enfin, zo werd toch gezegd. Al die buitenlandse soldaten hier, waarom waren die hier zo snel nodig ? Op die vraag moest een antwoord gegeven worden. En dat was veiligheid. Er zou risico zijn op een staatsgreep. Er zouden journalisten verdwenen zijn. Ook één van de Belgische geschreven pers. Uiteindelijk bleek die gewoon in Oloffson te zitten, een van de oudere hotels in het centrum. Er waren vele ontsnapte gevangenen. Nadat de VN-bewaking kort na de aardbeving de zone van de gevangenis hadden verlaten stond de deur al snel open. Er zouden plunderingen zijn in de benedenstad. Hongerige mensen die voedsel “steelden” uit ingestorte winkels en depots. ‘t Is maar wat men plunderen noemt natuurlijk. Enfin, het was een chaotische episode. Iedereen was verward. Nieuws kwam van overal en nergens. Je wist niet wat te geloven en wat niet. Eigenlijk wist niemand nog waar het zuiden lag.

In de late namiddag ging ik naar m’n appartement dat ik overhaast had moeten achtergelaten voor de verplichte evacuatie. Ik wist dat vrienden het voor me hadden leeggehaald en dat ik er niet veel meer zou aantreffen. Ik was er op 12 januari vanop m’n dak getuige van geweest dat zowat m’n hele buurt in mekaar stortte. Maar er terugkomen, nog uitgeput van de reis en het slaaptekort… Ik voelde me even helemaal leeg. Hetzelfde dak waar ik bijna elke avond de zonsondergang kon aanschouwen met een prachtig uitzicht over Port-au-Prince stond nog overeind. Maar het uitzicht was lang zo knap niet meer. Geen paleis meer. Ingezakte huizen, scheefgezakte huizen. Enorme hoeveelheden stof en puin van mensen die het beton hadden stukgeslagen. Toen we naar bij me thuis reden geraakten we er gewoon niet door. Teveel puin op de weg. Het puin belandt deels op straat waar het vroeg of laat wel zal worden opgepikt. Of waar het zich al weken opstapelt. Waar je dan zelfs met een 4×4 niet meer doorgeraakt. Dat is mijn buurt.

Ik ben onder de indruk. De overheid is zwak. Dat was al zo, en dat is nu nog zo. Maar de Haïtianen zijn krachtig. Voor zover ik het op mijn dag één hier had kunnen aanschouwen waren zij het vooral geweest die op eigen kracht hun getroffen huizen platgooiden. Een eerste stap in de reconstructie. Sommige individuen hebben al opnieuw durven bouwen. Maar het uitzicht van deze stad zal voor altijd anders zijn. Hoge gebouwen zijn verdwenen. Maken het zicht meer open. Er zijn nieuwe perspectieven in Port-au-Prince. Letterlijk en figuurlijk. Het is de overheid die nu concrete stappen moet zetten. De Haïtiaanse overheid. In de éérste plaats in overleg met háár burgers. Maar aan dàt overleg wordt duidelijk geen aandacht geschonken. Zoals tevoren is het al te vaak de internationale gemeenschap die voorstelt en de overheid die slaafs volgt. Een beleid boven de hoofden van de Haïtianen. Dat systeem is alvast overeind gebleven.

0 Comments on “De terugkeer – dag één”

Leave a Comment